| Bloedverwanten: Colorist Stephan Danser |
| Geschreven door Annemarie Vestering |
|
Van camera tot catering… film bestaat bij de gratie van samenwerking van vakmensen uit verschillende disciplines. En al is iedereen op geheel eigen wijze met het vak bezig, je weet van elkaar: wij delen een passie, in ons stroomt hetzelfde bloed. Een kennismaking met bloedverwant Stephan Danser (57), colorist bij Postoffice.
Colorist Stephan Danser (photo: Patcharee Sa-ardkitinun)
Wat doet Postoffice?
Colorist Stephan Danser (photo: Patcharee Sa-ardkitinun)
En wat doe jij, als colorist? “Ik geef het materiaal een bepaalde look mee, een stemming, een gevoel. Als colorist ben je creatief; je maakt in overleg met de opdrachtgever bepaalde keuzes die sfeer en uitstraling bepalen en voert die consequent door. Kijk maar eens naar programma’s als Top Gear of CSI: Miami, waarin kleurcorrectie overduidelijk wordt gebruikt als middel om het materiaal een bepaalde stijl mee te geven. ”
Welke technieken staan je daarbij ter beschikking? “Wij werken digitaal, de mogelijkheden zijn zo goed als onbeperkt. Je kunt het beeld als geheel aanpassen, of alleen onderdelen daarvan. Met vignetten kun je bijvoorbeeld het licht in de hoeken laten afnemen, om de aandacht te vestigen op het centrum. Ouderwetse lenzen geven hetzelfde effect. Of je geeft het materiaal digitaal een Bleach Bypass Look met een zwaarder contrast, ontkleurde zwarten, hoge lichten en meer korrel. Dan krijg je hetzelfde resultaat als bij films die tijdens het ontwikkelen van het negatief het bleekbad hebben overgeslagen.
Je kunt ook alleen bepaalde onderdelen aanpassen. Doordat het beeld wordt opgebouwd in verschillende lagen, kun je in elke laag wijzigingen aanbrengen. Daardoor kun je bijvoorbeeld een bewolkte lucht in een witte achtergrond zetten. Je kunt ook een masker tekenen en dat mee laten lopen. Zo kun je het gezicht van een acteur bijvoorbeeld doortekenen (meer contouren en contrast geven). En je zorgt natuurlijk altijd dat de balans tussen voor- en achtergrond geloofwaardig blijft…”
Colorist Stephan Danser (photo: Patcharee Sa-ardkitinun)
Dus ook als je materiaal van mindere kwaliteit krijgt aangeleverd kun jij er iets moois van maken?
Eigenlijk kun je zeggen dat alles dat op de set gedaan kan worden, op de set moet worden gedaan. Als iets op een Canon 7D gedraaid is en de creatief wil dat het er als 70 mm Technicolor uitziet, dan kunnen we wel de look benaderen, maar niet de kwaliteit. Als je zoiets wilt, moet je al eerder beslissen om op 35 mm te draaien of met een hoger formaat digitale camera. En liefst tijdens de shoot te belichten zoals destijds voor Technicolor gebruikelijk was.
En, als je bijvoorbeeld iets warm belicht wilt hebben, dan kun je dat ook beter op de set al doen. Wij kunnen deze look dan eenvoudig vervolmaken omdat je zonder moeilijke selecties aanpassingen kunt doen. Dan krijg je eerder een natuurlijk plaatje.
Maar de term “they’’ll fix it in post” is ook waar. Je kunt bijna alles oplossen in kleurcorrectie en postproductie, maar dat is vaak erg tijdrovend. Ik ben daarom voorstander van goed overleg tussen DoP en colorist voorafgaand aan de opname om tot het mooiste resultaat te komen.”
Heb je een eigen stijl? “Als je in vaste dienst werkt moet je in elke stijl kunnen werken. Het is leuk dat je veelzijdig moet kunnen zijn, al betekent het wel dat je soms iets moet doen waar je niet helemaal achter staat. In dat geval moet je je ego aan de kant zetten en toch enthousiast verder.”
Colorist Stephan Danser (photo: Patcharee Sa-ardkitinun)
Commercials, speelfilm, videoclips, wat doe je het liefst? “Videoclips zijn leuk om te doen, dan kun je lekker ver gaan zonder dat je door een creatief op je vingers wordt getikt. Vroeger had je als colorist meer speelruimte bij commercials, toen kon je vaak een bepaalde stijl geven aan een commercial. Nu is het allemaal wat veiliger geworden. Dat ligt niet alleen aan de creatief, maar ook aan de opdrachtgevers, die kiezen voor het veilige midden.”
Hoe ben je in het vak terechtgekomen? “Ik ben autodidact. Er is geen opleiding voor. Na de middelbare school moest ik in militaire dienst. Daar was ik fotograaf/redacteur voor De Griffioen, een weekblad voor militairen. Na mijn diensttijd kon ik aan de slag als assistent-cameraman bij Piet Out. Hij adviseerde mij stage te lopen in een filmlaboratorium. Ik ben toen filmopticals gaan doen (alle effecten op film; titels, chroma key, etc. die met optische bank zijn aangebracht) bij het Nederlands Laboratorium voor Filmtechniek (NLF). Vervolgens werkte ik ruim tien jaar als colorist bij Amsterdam Video Postproductions en nu alweer ruim tien jaar bij Postoffice.”
Waarom colorist?
Is het een vak dat iedereen zich eigen kan maken? “Het bedienen van de panels en de software heb je in een paar weken onder de knie. Dan heb je nog zo’n twee jaar nodig om het vak te leren. Maar het is niet voor iedereen weggelegd. Het is een creatief beroep; soms kan iemand wel met de techniek overweg, maar ziet het resultaat er niet uit. Bovendien moet je goed met klanten om kunnen gaan. Goed luisteren en communiceren en niet als een nerd aan het beeldscherm gekluisterd zitten. En je moet stressbestendig zijn; soms hijgen er zes man in je nek met wie je moet communiceren, heb je te maken met een deadline en moet je zorgen dat je je concentratie behoudt terwijl je aan het werk bent… Een olifantenhuid is ook handig; het kan zijn dat jij vindt dat je iets heel moois hebt gemaakt en dat een klant er heel anders over denkt. Over smaak valt nu eenmaal niet te twisten.”
Je werkt al decennialang in de postproductie. Wat zijn de belangrijkste veranderingen in jouw vakgebied? “Vroeger bestond mijn werk alleen uit kleurcorrectie. Alles werd natuurlijk op film opgenomen. Je scande de film met de cameraman en regisseur in een Best Light naar videotape. Daarna werd de film in de offline in lage resolutie ingeladen en gemonteerd. Het materiaal werd vervolgens nagesneden in hoge resolutie. Daarna kreeg je de gemonteerde versie op tape terug, die je in tape naar tape kleurcorrigeerde. De toenmalige kleurcorrectoren hadden hardwarematig een aantal secondaire lagen en werkten altijd real time.
Nu laad je de digitale camerabestanden in en stuurt ze gecorrigeerd naar de offline. Dan monteer je de originele camerafiles na en doe je de finale kleurcorrectie. De moderne softwarematige kleurcorrectiesystemen hebben haast oneindig veel lagen maar moeten na afloop -en soms ook tussentijds- renderen. De meeste systemen beschikken ook over edit- en compositmogelijkheden. Er zijn veel raakvlakken met online editing. Door de meerdere lagen technieken met maskers kun je bijvoorbeeld direct een witte lucht voor een blauwbewolkte lucht vervangen en apart corrigeren.”
Er komt nu dus veel meer bij kijken?
Colorist Stephan Danser (photo: Patcharee Sa-ardkitinun)
Enerzijds is de techniek complexer geworden, anderzijds kun je nu thuis op je pc een film monteren en van effecten voorzien… “De techniek om kleuren te corrigeren is toegankelijker geworden. Je betaalde drie jaar geleden zo vier ton voor een kleurcorrectiesysteem. Je had namelijk een speciale computer nodig. Nu werk je met een zware standaardcomputer, en betaal je minder dan een ton voor een goed kleurcorrectiesysteem op software. Maar ook voor een paar duizend euro koop je tegenwoordig al eenvoudige systemen. Buiten de Mac of pc is de enige hardware die je nodig hebt een klein bedieningspaneeltje. Vroeger waren dat enorme consoles, en daar betaalde je voor.”
Wat betekent dat voor jullie marktpositie? “We hebben veel meer collega’s gekregen. Vroeger waren er drie of vier postproductiehuizen, nu ken ik ze niet eens meer allemaal. Onze kracht is dat we een totaalpakket kunnen leveren in postproductie en beschikken over veel kennis en ervaring. We zitten van oudsher in commercialmarkt en hebben heel goede, maar ook heel kostbare apparatuur. Ook wij moeten mee met de technische ontwikkelingen. Je komt daardoor wel eens voor financiële verassingen te staan. Red kwam bijvoorbeeld onlangs met een nieuwe camera-update. Om die te kunnen verwerken moesten we ons kleurcorrectiesysteem zowel hardware- als softwarematig drastisch upgraden. Zoiets vergt dan een substantiële investering.”
Wat vind je van de kwaliteit van het digitale materiaal? “Die is vaak minder. Als het gaat om de look lijken de meeste digitale beelden op elkaar. Bij film heb je dat niet: filmnegatief heeft per emulsie imperfecties waardoor elke film iets eigens krijgt.
En, met digitale camera’s wordt vaak veel meer gedraaid. Toen er nog op film gedraaid werd, had je een heel andere dynamiek op de set: iedereen was geconcentreerd, als de camera draaide, ging de teller lopen en kostte het geld. Digitale opnamen lijken goedkoper omdat je geen film verbrandt, maar de postproductie is vaak veel duurder, want je bent in de montage veel langer bezig met zoveel rushes. Ook vergt het datatransport en de opslag veel tijd.
Ik vind 35 mm negatief nog steeds het mooiste voor commercials. Dat blijft qua kleurdiepte, dynamisch bereik en scherpte superieur. Van de digitale camera's vind ik de Alexa het mooist. Ook ben ik enthousiast over de nieuwe Weisscam en Phantom highspeed camera's. Ik was minder enthousiast over de Red, al is de laatste software-update een grote stap voorwaarts. Een groot probleem is als highlights niet gelijk weg clippen in de kleurkanalen (RGB). De Canon 7D en 5D is voor ons vaak een probleem omdat ze 8-bit zijn met daarop nog een zware compressie, waardoor het plaatje uit elkaar valt als je kleuren corrigeert.”
Wat zijn -afgezien van de vele rushes- de nadelen aan het nabewerken van digitale opnamen? “Informatie die op film staat heb je en houd je in de nabewerking. Bij digitale informatie kan het gebeuren dat je de informatie in de donkere en lichte partijen niet hebt. En de wildgroei aan digitale camera’s is lastig. Je moet steeds weer uitzoeken hoe je de bestanden kunt openen. De uitwisselbaarheid van bestanden met andere posthuizen is ook een probleem. Soms worden speciale effecten buitenshuis gedaan. Dan vragen ze: Hoe wil je het aangeleverd krijgen, in tif of Quick Time…Wij willen het liefst in dpx blijven werken, maar dat kan niet elk bedrijf aan. Vroeger was een tape een tape, daarmee kon je de wereld rond. Je stopte het ergens in een tape deck en iemand had een plaatje. Dat is niet meer. Vooral met Quick Time van Apple, daar zijn zoveel verschillende codex voor dat je door de bomen het bos niet meer ziet. Elke codex komt op verschillende computers en programma's anders terug qua kleur en gamma.”
Heeft de digitalisering invloed gehad op de samenwerking met DoP’s? “De invloed van de DoP op het eindresultaat is afgenomen. Vroeger bepaalde hij met de filmproductiemaatschappij waar de kleurcorrecties gedaan werden. Nu bepaalt het reclamebureau meestal de keuzes op gebied van montage en afwerking. En eerder werd de DoP vaak ook betaald om bij de kleurcorrectie aanwezig te zijn. Dat is nu doorgaans niet het geval; na de filmproductie geeft hij het materiaal uit handen aan het reclamebureau. Gelukkig zie je dat sommige DoP’s - dan maar onbetaald - toch bij de kleurcorrectie aanwezig zijn.”
Hoe blijf je op de hoogte van ontwikkelingen in je vakgebied? “Ik moet echt zorgen dat ik continu bijblijf. Vroeger hadden we met enige regelmaat meetings van coloristen in café De Koe in Amsterdam. Jaarlijks was er dan nog de International Telecine Party in de Rum Runners tijdens de IBC in Amsterdam en ook in Las Vegas hadden we elk jaar een Telecine Party bij de NAB Show. Daar had je de mogelijkheid met de fabrikanten en collega's over het vak te praten. Tegenwoordig word ik bijgepraat op internet, op fora op sites als http://tig.colorist.org/wiki/Main_Page op www.redtalk.nl en http://cinematography.net. En ik word natuurlijk graag getipt door DoP’s over nieuwe updates voor de software van camera’s. Het is prettig om dan samen testen te ontwikkelen om daarmee tot een beter eindproduct te komen.”
|






