Ton Peters N.S.C. en de hang naar imperfectie
Geschreven door Annemarie Vestering   

 

Director of photography Ton Peters N.S.C. (photo: Corbino)

Documentairefotograaf, dat wilde Ton Peters (1963) worden. Maar op de kunstacademie stelde hij zijn ambities bij; een toekomst als cameraman leek hem vele malen interessanter. Toch is documentairefotografie nog altijd zijn belangrijkste inspiratiebron. ‘Uiteindelijk zijn het vaak de dissonanties die een film interessant maken. Het moet schuren en wringen.’

Related article: Q & A "Joy" (met video)(Dutch)

Nee, hij komt niet uit een creatieve familie. Het enige was, dat zijn vader fotografeerde en filmde, en daarin serieuzer was dan anderen. Daardoor leerde hij al heel vroeg wat een diafragma is, en wat een sluitertijd doet. En, dat je maar een lens nodig hebt. Dus geen lange lenzen gebruiken, maar gewoon naar iemand toe lopen en een foto maken. Van die dingen die hij eigenlijk nog steeds doet.

Ook al was zijn vader enthousiast amateurfotograaf, de kunstacademie had in principe niets met zijn wereld te maken. Als je in Limburg woont ga je daar niet weg, dat is niet de bedoeling. Zijn ouders stimuleerden hem dan ook niet, om voor een kunstopleiding elders te kiezen. Maar in elk geval zaten ze hem ook niet in de weg, toen hij zich in 1987 aanmeldde voor de Academie Sint Joost in Breda. Dat was al heel wat.

Dwars
Je moest audiovisuele vormgeving doen, als je fotograaf wilde worden. Iets waar Peters zich hevig tegen verzette het eerste jaar. Het moet in die periode geweest zijn, dat hij een knop omzette en bedacht dat hij liever cameraman wilde zijn. In het stagejaar dat volgde nam hij contact op met zoveel mogelijk productiebedrijven, en zo kwam hij als stagiair lichtassistent in de filmwereld terecht. De kunstacademie hield hij na enkele jaren voor gezien. ‘Ik was toen te dwars, of net te ver, om nog naar de filmacademie te gaan.’

Lichtassistent, gaffer, …Het was een lange weg. ‘Misschien doordat ik niet als een van de cameramannen opgroeide in een klas op de filmacademie. Want als het goed is heb je dan een klik met een of twee regisseurs, met wie je al snel aan het werk gaat.’ Toch draaide hij al films vanaf het moment dat hij vertrok bij de Sint Joost, maar daarvan kon hij aanvankelijk beslist niet leven. Korte speelfilmpjes, een documentairetje, kleine dingen. Het werden er steeds meer, zodat hij in 1994 definitief kon stoppen met belichten. Sindsdien draait hij alleen nog maar. Veelal dingen die hij heel erg ziet zitten. Wat dichtbij hem ligt, dicht bij wat hij ooit wilde doen.


Director of photography Ton Peters N.S.C. (photo/collage: Corbino)

Arthouse
Zijn oeuvre is divers; commercials voor onder andere Ben, Nuon, KPN, Belastingdienst , Milner en Robijn. Meestal geen snelle, gelikte reclames, maar documentaireachtige korte filmpjes. Speelfilms, zoals Diep, Tussenstand, en onlangs Vreemd Bloed… Documentaires, waaronder Jimmy Rosenberg. Opvallend is dat hij alleen heeft samengewerkt met Nederlandse regisseurs. Zijn films en documentaires vallen nagenoeg allemaal in de arthouse categorie. Oppervlakkige kaskrakers lijken niet aan hem besteed.

‘Ik zou ook buiten Nederland films willen draaien. Ik ben nu bezig met een aantal projecten elders die op langere termijn gaan spelen, dus wellicht dat het er binnenkort van komt. Ik voel me inderdaad het meest verbonden met projecten met iets ‘edgies’. Het is toch het meest interessant als er iets schuurt, als er iets te ontdekken valt. Van een film die heel vrolijk bedoeld is kan ik soms heel triest worden. Er zit zó geen enkele oneffenheid in. Maar dat betekent niet dat ik niet van andersoortige films houd. Film is een heel breed medium, daar kan ik enorm van genieten.
Pirates of the Carribean bijvoorbeeld, vind ik geweldig gemaakt. Ik wil me ook niet beperken tot het arthousecircuit. Mijn camerastijl in Vreemd Bloed is in zekere zin al een aanzet tot een wat ander genre. ’


Ontregelen
De wat ongepolijste stijl die veel van zijn films kenmerkt, wordt soms in de hand gewerkt door de regisseur. ‘Mijke de Jong bijvoorbeeld, is ontregelend. Ze draait geen shots, alles is altijd een scène. Dat dicteert een bepaalde manier van werken. Je kunt wel een shot willen maken, maar dat heeft geen zin. Het komt ook omdat ze vaak met amateurs werkt en niet met acteurs. En als ze wel met acteurs werkt, dan probeert ze die te ontregelen.’ Lachend: ‘Dan heb je alle lampjes neergezet voor een bepaalde scène en dan vraagt ze de acteurs op het laatste moment toch iets anders te doen, zonder repetitie.’

Maar vaker is hij het, die ‘iets lossigs’ aanbrengt. Hij heeft het liefst dat van te voren niet alles is dichtgetimmerd. ‘Als er een goede basis is kun je meer improviseren en aan het toeval overlaten. Ik denk dan aan die documentairefotograaf, die gewoon op een plek een foto maakt, zonder entourage, zonder ingewikkelde dingen uit te halen. Daar kun je altijd naar terug. Als je vertrouwt op het moment, op de chemie, dan gebeurt er altijd wel wat. Het is heel vaak leuk of interessant als er iets gebeurt dat je niet verwacht had. Uiteindelijk zijn het vaak de dissonanties die een film interessant maken.’

Schuren
‘Door mijn fotografieachtergrond is mijn werk net iets anders dan dat van een geschoolde cameraman. Het zit hem in de keuze voor een bepaalde vorm en het consequent doorvoeren ervan. Als je alleen uitgaat van de inhoud en hoe je die moet overbrengen, wordt een film vaak te braaf. De vorm is ook een manier van vertellen. Het gaat erom hoe je het laat zien. Als ik iemand zou moeten noemen om dat te illustreren is het Christopher Doyle. Hij filmt naïef, durft dingen te laten gaan. Zijn werk is vrij vormelijk, maar heeft ook een bepaalde dwarsheid, waardoor het veel spannender wordt.’

Bij elk project probeert Peters een eigen grammatica ter verzinnen. ‘Ik denk dat ik een eigen stijl heb, die snel bovenkomt. Dat heeft met een bepaalde gevoeligheid te maken, met hoe je naar dingen kijkt. Afgewisseld met heel nadrukkelijke, bijna botte keuzes en gecombineerd met iets ruws, onafs en observerends. Je moet als kijker een beetje zoeken, het is niet interessant als beelden alleen maar vertellen wat ze moeten vertellen.’ Zoals in de anekdotische fotografie van Henri Cartier Bresson, bijvoorbeeld. Nee, hij laat zich liever inspireren door het werk van de Amerikaanse fotografen annex filmmakers Robert Frank en William Klein.

Techniek
Peters denkt niet dat hij iets gemist heeft aan de filmacademie, ook al vindt hij dat achteraf moeilijk te beoordelen. ‘De techniek die ik interessant vind, kan ik bijhouden. Van jongs af aan begrijp ik het principe van film goed. Ik ben alleen wel altijd bezig om het terug te brengen tot iets waarmee het een creatief en niet een technisch beroep wordt. Als het te technisch wordt zit het me in de weg, dan geeft het teveel afstand tot wat ik aan het maken ben. Het mooiste is als je helemaal geconcentreerd bezig kunt zijn om iets bijzonders naar boven te halen. Als je je zorgen moet maken over de stand van de zon, een camera die gekke dingen moet gaan doen, dan leidt dat af. Je moet ervoor waken dat je zo bezig bent geweest met de techniek, dat achteraf blijkt dat je helemaal vergeten bent om een film te maken.’

Technische innovaties volgt hij daarom met kritische blik. ‘De laatste twee, drie jaar hebben we het wel heel veel over het bestek en niet over het eten, zoals Christian Berger het laatst zo mooi zei. Bij elk project is het: waar gaan we op draaien? Ik heb alle systemen gebruikt, maar er zijn maar weinig projecten die creatief gezien gebaat zijn bij digitale fotografie. Je draait meer, maar minder geconcentreerd. Allerlei keuzen worden uitgesteld tot in de postproductie. Door de monitor op de set beoordelen allerlei mensen die het niet gewend zijn het beeld, met discussies op de set tot gevolg. Dat is allemaal schadelijk voor de concentratie die nodig is om een goede film te maken.

Maar goed, als je alle technologische ontwikkelingen overziet, dan hebben die uiteindelijk heel veel opgeleverd. Je kunt wel terugverlangen naar The Godfather, uiteindelijk worden er steeds mooier dingen gemaakt. Kijk bijvoorbeeld naar Hunger en Das weisse Band, dat zijn toch absolute meesterwerken.’

Non-plek
Van Peters geen enthousiaste verhalen over de nieuwste crane of de laatste digitale camera. Techniek is voor hem niet meer dan gereedschap, in dienst van het verhaal. Hij laat zich liever leiden door het visuele. Documentairefotografie is daarbij nog steeds zijn belangrijkste inspiratiebron. ‘Wat ik bijzonder vind aan een goede fotograaf is dat zijn standpunt niet belangrijk is. Dat hij juist niet het beste standpunt kiest. Dat vind ik intrigerend; die naïviteit, die nieuwsgierigheid, en die rust om te blijven staan. Op een goede foto staan vaak zowel de fotograaf als het onderwerp op een non-plek. Het heeft iets waardoor het er allemaal niet zo goed bedacht uitziet en daardoor ga je op een andere manier kijken. Dat probeer ik wel eens in film mee te nemen.’

Jimmy Rosenberg (photo: Ton Peters)

Zelf fotografeert hij ook nog steeds. Voor zichzelf en soms voor de publiciteit van een van zijn films. Het affiche van Diep en Jimmy Rosenberg zijn bijvoorbeeld van zijn hand. Ook maakt hij wel portretten van degene over wie hij een documentaire maakt. Maar zijn foto’s vindt hij nou ook weer niet zo bijzonder, eigen of in omvang genoeg dat hij ermee wil exposeren. ‘Nee, DoP vind ik een mooi vak, dat ik nog heel lang kan doen. Ik kan er goed mee leven dat dát mijn ding is.’