| Utrecht versus Cannes |
| Geschreven door Jules van den Steenhoven |
|
Een van de leukste uitjes van het jaar
voor een minister van Cultuur is toch wel de opening van het
Nederlandse Filmfestival. Door de jaren heb ik vele ministers het
podium zien betreden die de Nederlandse film elk jaar een warm hart
toewensten. Met hun voordrachten konden zij altijd rekenen op een
hartelijk applaus ondanks dat hun speeches nimmer grote veranderingen
brachten binnen het Nederlandse filmklimaat. Toch hoop ik dat het dit
jaar anders zal zijn. Dat is ook hard nodig.
Waar gaat het mis met de Nederlandse film en voldoet de visie van het Nederlands Filmfonds, beschreven in hun nota " Ruimte voor talent " 2009 -2012, dat er iets schort aan de aanwas van filmtalent ? We beschikken over voldoende goede opleidingen. Filmacademies en kunstopleidingen genereren volop talenten die binnen en buiten onze landsgrenzen in staat zijn hun kwaliteiten te etaleren. De vraag is echter of we al dat talent in Nederland een klimaat aanbieden waar het zich kan ontwikkelen. Want er zijn een drietal punten waar we als klein Nederlands filmwereldje schromelijk te kort schieten om van enige betekenis te kunnen zijn buiten onze landgrenzen. Ten eerste, het productievolume is veel te laag. Ten tweede, het besluitvormingsproces om een film van de grond te tillen is veel te complex. Ten derde, een slordige uitvoering van de auteurswet. Drie zaken die de positie van de filmmaker kleineert . Meer volume Dit alleen al is te rechtvaardigen als we enige vergelijkingen maken met omliggende landen als Duitsland, Denemarken en Frankrijk waar er sprake is van een stabiele filmindustrie met verhoudingsgewijs veel meer geld. Maar er is meer aan de hand. Films maken is een collectief gebeuren. Al lijkt het voor de buitenwereld heel hiërarchisch, een filmmaker is afhankelijk van alle creatieve talenten die hij of zij om zich heen weet te verzamelen. Het totaal aan talent - voor en achter de camera - is maatgevend voor het resultaat. Het idee dat talentontwikkeling een zaak zou zijn van producent, scenario en regie gaat totaal voorbij aan de complexe processen van film maken waarbij zoveel creatieve en technische disciplines hun prestaties leveren. Maris Jansson bereikt met het Concertgebouworkest een geheel ander resultaat dan wanneer hij met de plaatselijke kapel uit Beemsterzwaag zijn talenten ten toon zou moet spreiden. Waar het aan ontbreekt binnen de Nederlandse filmindustrie is het opbouwen van continuïteit. Het verloop onder crewleden - setdressers, decor, productiemensen et cetera - is groot en spaarzaam opgebouwde ervaring verdwijnt snel. Na enige jaren komt er altijd een moment van bezinning bij crewleden en realiseert men zich dat - naast alle onzekerheden en onregelmatige werktijden - het laten studeren van kinderen of pensioenopbouw bijna onmogelijke zaken zijn, als je in de Nederlandse filmindustrie wilt blijven werken. Daarbij zijn producenten - gedreven door een gebrek aan bioscoopkassaverdiensten - crewleden meer en meer gaan beschouwen als kostenpost in plaats van als een toegevoegde waarde. Ook binnen de facilitaire wereld is merkbaar dat het schort aan ontwikkeling van kennis en aanwas van (digitale) talenten als beeld composers en 3D effectenmakers. Het is inmiddels niet ongebruikelijk dat een beroep gedaan moet worden op buitenlandse freelancers. Terwijl deze tak van industrie zo goed zou passen bij de hoogwaardige opgeleide talenten die verscheidene kunstacademies jaarlijks opleveren. En dan is er nog het verlangen om een productie te laten eindigen in Cannes, Berlijn of Venetië. Maar Nederlandse producties zijn daar net niet sexy genoeg voor. Willen we dat bereiken dan zouden we onze producties met meer flair en durf moeten overladen. Een toename van het productievolume kan helpen de positie en kwaliteit van producenten, filmmakers en crewleden te verbeteren. Het zou ook kunnen leiden tot meer creatieve competitie waardoor we meer kans maken Nederlandse films op buitenlandse podia te veroveren. En we zouden een meer ervaren platform kunnen creëren om nieuwe digitale technieken toe te passen. Eenvoudiger besluitvorming In een ver verleden is ooit bedacht speelfilm uit te huwelijken aan televisie waardoor speelfilmproducenten toegang kregen tot de fondsen die door de omroepen worden beheerd. Het is in Nederland nagenoeg onmogelijk een film te maken zonder een omroep. Welke edele motieven daaraan toen ten grondslag lagen laat zich raden, maar bioscoop en televisie verhouden zich historisch zich niet al te best met elkaar. De bioscoop is bij uitstek een plek waar filmproducenten tegen een redelijke vergoeding het publiek in het donker mee voeren in een fantasie van doen laten geloven. En hoe meer geld de filmproducent in zijn fantasie heeft gestopt des te groter is vaak de verbazing en de illusie. Televisie is een medium van het woord en wordt - zeker in Nederland - geregeerd door dominees, onderwijzers en juristen. Niks geen illusie maar de dagelijkse werkelijkheid middels soaps, reality tv, nieuwsrubrieken en eindeloze praatprogramma's. En dat alles zo goedkoop mogelijk. Het is een wonder dat dit huwelijk tussen film en tv maar doormoddert en dat niemand aan die liefdeloze verhouding een einde durft te maken. Producenten niet omdat ze met een dubbele pet (ze leveren ook producties aan de omroepen) hun zaken regelen. De omroepen niet omdat zij de via de minister van OCW verworven machtspositie niet uit handen willen geven. Maar zo langzamerhand is een Kafkaiaanse situatie ontstaan waarbij de zo zorgvuldig door het Nederlands Filmfonds, dramaturgen omroep, Cobo en Stimuleringsfonds commissies verkozen filmprojecten door één netcoördinator naar de prullenbak verwezen kunnen worden. Het lot van een talentvol filmmaker in Nederland hangt daarmee af van te veel en te vaak tegengestelde belangen. Met elk plan of idee schrijft men zich in voor een spelletje Russisch roulette. Koppel daarom speelfilm en televisie los van elkaar. Hevel de geoormerkte gelden over van omroep naar de speelfilmindustrie. Dit brengt veel speelfilmproducent in een betere en flexibele onderhandelingspositie met de omroepen en bereikt de minister eerder zijn doel om ze als culturele ondernemers te laten excelleren. Beter beheer van auteursrechten Bij de behartiging van de belangen van filmmakers bij het auteursrecht vaart de overheid een koers ten nadele van filmmakers. Producenten kunnen hun - door grotendeels door overheidsgeld gesubsidieerde - opgebouwde filmbibliotheek als een appeltje voor de dorst beschouwen. En daar is misschien weinig op af te dingen. Maar dat filmmakers en crewleden het vruchtgebruik van al hun creatieve energie in al die producties, waaraan ze hebben meegewerkt moeten ontberen, is weinig verlokkend. En dan hebben we het nog niet eens over het hergebruik via nieuwe media als internet waar tot op heden niets voor is geregeld. Wat er wel is, is een wildgroei aan organisaties die te pas en te onpas rechten proberen te innen. En dat vaak tegen veel te hoge kosten. En al hebben filmmakers dan de verwachting dat ze met hun rechten nog enig zicht hebben op een pensioen, de praktijk wijst uit dat we het over stuivers hebben. Ook hier zou overheid als wetgever en handhaver op kunnen treden en aan ieder rechthebbende zijn deel doen toekomen. Deze minister wil talent en drama van hoge kwaliteit. De filmsector kan dit zeker bieden, maar daar is wel een ander en beter filmklimaat voor nodig. Dat begint met meer producties, eenvoudiger besluitvorming en een beter beheer van auteursrechten. Natuurlijk kost dat geld. Misschien wel twee, drie keer zoveel. Maar met een filmbranche die, als één van de weinige in de kunstensector alleen al aan BTW meer opbrengsten genereert dan ontvangt, is het te rechtvaardigen dat een minister daadwerkelijk de bereidheid toont de financiering van deze bedrijfstak te herzien. Zeker als hij de ambities koestert aan het eind van zijn periode het podium in Utrecht te willen verruilen voor dat in Cannes. Jules van den Steenhoven voorzitter Netherland Society of Cinematographers. |

