Ervaringen met P+S Image Converter (2)
Written by Bart van Broekhoven   

Dacht ik aanvankelijk (tijdens het draaien). Maar de resultaten vielen me erg mee. Veel van het materiaal is mooi van sfeer en de details in de schaduwpartijen en highlights zijn verrassend genuanceerd. Er staat natuurlijk het enorme bedieningsongemak (van een prosumer videocamera) tegenover. Dat gepiel met zo'n mini-dv camera met een lcd schermpje en vreemde knopjes: 'loopt die nou of niet? Waarom is de camera nou uit? Wat is er nu weer aan de hand?' en dan er is het gewicht van de IC met de lenzen en gebruikt het systeem ook nog eens behoorlijk wat stroom.

                                                                                                                  Cameraman Bart van Broekhoven met Eddy de Clercq in de gastenkamer van 'De wereld draait door'

 Redactrice instrueert Eddy over zijn rol in het TV programma

 Eddy wordt door Matthijs van Nieuwkerk aangekondigd

Maar als je geen geld hebt - of bijna niet - en well - behoefte aan - stijl? Dan is de Image Converter, ook voor non scripted documentaire werk, een geweldig instrument. Het systeem vraagt om een werkelijke cinematografische aanpak en dat brengt het draaien op DV (HDV) terug binnen cinematografische parameters (lenzen, belichting). De scherpteregeling wordt een deel van de tools die je tot je beschikking hebt voor het vertellen van je verhaal. En dat komt goed van pas want je levert ook een aantal (inmiddels) vanzelfsprekendheden in: soepel hand-held draaien bijvoorbeeld. Het geheel is uitputtend zwaar en dat hou je echt geen dag vol, met tussentijdse verplaatsingen naar andere locaties, met matte-box, statief, lenzen etc. Verder verlies je de Citizen Kane deep-focus van standaard dv camera's.
Het lichtverlies door de adapter is zo'n 2 stops. Met dv camera's zijn we gewend overal te draaien. Met de IC is dat uitgesloten. Er zijn een heleboel situaties waar je gewoon niet kunt draaien. Zelfs in een volledig verlicht beursgebouw, is het te donker voor een fatsoenlijke belichting. Vrijblijvend met een camera beelden zuigend achter iemand aan hollen dat zit er niet in. Maar juist die offers (gewicht en lichtgevoeligheid) scheppen de basis voor de mogelijkheden van de converter. 

De IC is een een storytellingtool. Een cinematografisch instrument. Hat apparaat vraagt om een cinematografische benadering van alle problemen die zich voordoen: je gebruikt licht de keuze van je lens en standpunt en de exposure weloverwogen om je verhaal te vertellen. Het is onverstandig om de camera gewoon aan te zetten en maar te zien wat er gebeurt. De kans dat er dan iets fatsoenlijks uitkomt is vele malen groter als je op film draait (latitude) dan op video. Er zijn meerdere cameramensen die erover hebben vertelt. Zoals de van origine documentaire cameraman Ed Lachman (Say Amen somebody, Desperately Seeking Susan, Light Sleeper) bijvoorbeeld. In veel van zijn films zie je acteurs achter de ruit van een rijdende auto in een nachtelijke stad. Tijdens de opnamen van zo'n nachtshot voor de The Limey (1999, Steven Soderbergh) had hij geen enkele reading op zijn meter en nam de gok. En hij was - natuurlijk - aangenaam verrast door het resultaat, ondanks de error reading op zijn meter zag hij prachtige details in het materiaal. Dergelijke verrassingen zijn met video vrijwel uitgesloten. (Dit was ook het aspect dat ik het meest miste in de documentaire Cinematographer style: het gebruik van filmmateriaal in moeilijke situaties. Vrijwel alle interviews waren zorgvuldig uitgelicht. Daar zit naar mijn idee niet meer de winst van film t.o.v. digitale formaten. HD is prima - zeker voor statische inerviews - als je maar controle kunt uitoefenen op de omstandigheden. Als je dat niet kunt of wilt dan is filmmateriaal vrijwel altijd gunstiger.)  Hier - omgaan met de dwingende beperking van video - ligt het meesterschap van Robby Müller (Paris Texas, Down by Law, Breaking the Waves). Zijn werk voor Michael Winterbottom's 24 Hour Party People (2002) is fenomenaal. De manier waarop Robby omgaat met de latitude van DV CAM en een PD-150 laat een enorm meesterschap zien. Er is niet één shot in die film waar ramen uitgeblazen zijn of de duisternis onbedoeld ondoorzichtig is. Eigenlijk is dat een heel nieuw ambacht geworden: DV belichting. Al die problemen - voortkomend uit de beperkte latitude van DV - heeft hij met gebruik van belichting  overwonnen. En gebruikt voor het maken van een voor de film effectieve sfeer.

Terug naar de Image Converter. Je kiest voor de IC vanuit behoefte om met fatsoenlijke lenzen te werken en die te laten functioneren zoals je dat gewend bent in combinatie met een 35mm filmcamera. Hoe werkt het apparaat? Het formaat van de CCD chips in de camera wordt kunstmatig vergroot door een projectie van het beeld van de lens op een roterend matglas (in de converter). Alle 35mm lens karakteristieken worden overgebracht naar de videocamera. De chip is niet meer het instrument waar het beeld ontstaat maar legt het beeld (geprojecteerd op het matglas) vast. Dat levert een optische kwaliteit op die een kijker niet direct associeert met DV maar met (dure) speelfilms en commercials. Maar als er te weinig licht is is er ook niks om in te geloven en om af te beelden. En dat is natuurlijk bij het draaien van een documentaire nog wel eens lastig. Er gebeurt van alles maar je hebt geen reading. Wat is dan de reden om voor het gebruik van dit instrument te kiezen? Licht. En de mens daarin. Dat wil je zo mooi (effectief) mogelijk afbeelden. En net als dat gold voor toen de mini-DV camera nieuw was en de draagbare 16mm filmcamera's van Albert Maysles, Robert Drew en Ricky Leacock, de Panaflex en de Steadycam , die nieuwe bevrijdende stijlen mogelijk maakten, zo keer je met de Image Converter (als documentairefilmmaker) de ingeburgerde hap-snap dv hyperrealiteit-stijl de rug toe (Roman Polanski: "I'm allergic to Dogma, all that shaky camera nonsense. It looks like the cameraman has Parkinson's Disease, or maybe while filming he's masturbating."). Met een set goeie lenzen is zo enorm veel te doen, dat schept zo'n onafhankelijkheid van de standaard DV beperkingen (instortend contrast bij tegenlicht, alles scherp - of even onscherp, het is maar hoe je het bekijkt - ). En het leidt tot een mooie combinatie van moderne techniek (betaalbare DV camera's die zich razendsnel verbeteren) met klassieke cinematografische werkwijzen en resultaten. Wat het onderwerp ook is met de IC kies je voor een cinematografische benadering, met de beperking van de latitude die filmmateriaal je geeft. Maar je kiest niet voor de IC als je budget hebt om op film te draaien. Dat is een beperking die je vooraf accepteert. De voor- en nadelen (van dit systeem t.o.v. van standaard DV en t.o.v. film) afgewogen maken dit apparaat ideaal voor de low budget filmmaker.

Maar laat producenten nu alsjeblieft niet gaan denken dat het fantastisch is zo en hun calculaties gaan baseren op de Image Converer (in combinatie met een prosumer camera) als high-end norm. Want dat is het natuurlijk niet. Het is geen vervanging van film en HD - het is iets dat ernaast bestaat. De Image Converter biedt met het gebruik van fatsoenlijke lenzen een fundamentele professionele basissituatie. Maar niet meer. En de specifieke beperkingen die met het systeem samenhangen (beperkte latitude, gewicht) vragen om cinematografische oplossingen, benaderingen. En zo is de converter een pijnstiller (voor het niet kunnen draaien op film) en voert het systeem en de hele manier van werken (nauwkeurig focussen, belichten) ermee tot een versterkt besef van wat de ultieme droom is: draaien op film (en diep graven in schaduwpartijen). Van alle betrokkenen is de cameravrouw of -man de persoon die als geen ander weet dat filmlook een goocheltruck is en alleen werkelijk overtuigend gemaakt wordt met filmmateriaal. Contrasten van digitale formaten blijven - hoe verrassend goed ook soms - in vergelijking met film acceptabel maar welbeschouwd teleurstellend. En dan zijn er die verschrikkelijke elektronische contourcorrecties (waarmee alle digitale formaten in een poging film naar de kroon te steken ontmaskerd worden). En de nachtmerries veroorzaakt door tientallen verborgen menuutjes en settings. Hoe dicht digi-taal en film-taal ook naar elkaar toe aan het groeien zijn welbeschouwd zijn het twee verschillende uitdrukkingsvormen. Het bestaat naast elkaar. Matthew Libatique (Pi, Requiem for a Dream,  Phone Booth) zegt in Cinematographer Style: "... lenzen zijn heel belangrijk maar met de keuze van je stock daarmee bepaal je je pallet..." Het materiaal achter de lens bepaald de resolutie en dat wordt de wereld ingestuurd. Filmlenzen of niet, Cooke's, Zeiss, Panavision, video blijft video en dat is iets anders dan film.

 Eddy tijdens opening show

Zolang als de ontwikkelingen nog niet tot een nieuwe norm (naast film) hebben geleid lijkt mij de heel betaalbare Image Converter voor de low-budget filmmaker een uitstekend alternatief voor al het andere op de markt. Aan de investering (koop of huur) kun je je bijna geen buil vallen. En terwijl je met het apparaat heel behoorlijke resultaten haalt kun je rustig afwachten waar de markt op uit gaat komen. Al zijn er inmiddels tientallen camera's en systemen die technisch superieur zijn aan de prosumer camera's  die je zult gebruiken in een Converter, het systeem is goed genoeg om de intenties en behoeften van een cinematografisch denkende filmmaker glashelder te realiseren. Tegen een fractie van de kosten waarvoor alle grote broers (Vipers, D20's, CineAlta's, Genesis's, Vari Cam's) door hun eigenaars aan je worden toevertrouwd.

Tot slot wil ik nog iets zeggen over het ontbreken van een norm. Bij film (belichting) is er de communicatie met het lab over de printnummers etc. Filmformaten, gevoeligheden en framerates daarover is simpel te communiceren. Over video zou je kunnen zeggen: het gaat weer veel meer over kijken: hoe komt een shot op mij over?  Niet: is het technisch goed belicht?, de dekking van het negatief, maar: wat voel ik, vind ik het mooi, werkt het? Dat zal wel zo zijn, maar: waar kijk je naar? Hoe wordt het geprojecteerd? Hetzelfde materiaal op een DLP projector (bijvoorbeeld tijdens een festival) ziet er heel anders uit dan bekeken op een monitor. Waar ligt de norm? Hoe ver kun je afwijken van een technisch correcte belichting (zoals Lachman dat aandurft op filmnegatief)? Ervaring zal leren waar de grenzen van het systeem liggen. Hoe diep in het donker je kan gaan. En hoe tolerant je je opstelt tegenover highlights. Het draaien van een documentaire met dit systeem - overgeleverd aan uiteenlopende omstandigheden - is wel een echte battleground om die ervaring te verwerven.

 Eddy geinterviewd door John Sinclair
 
Foto's: Victor Korolev en Joost Hulst. Framegrabs met toestemming van producent.

Met dank aan Eddy de Clercq, focuspuller Vanessa en John, Nico, Peter, Gertjan en Colin van Holland Equipment in Amsterdam voor de prettige begeleiding met de apparatuur.

Er is een prima Q en A op de P+S website: http://www.pstechnik.de/en/digitalfilm-mini35-faq.php#2