|

Director of photography Abraham Haile Biru achter de camera in Ethiopië (foto uit besproken boek/Chinguitty Films)
‘Filmen op gevoel bestaat niet’, en ‘ik wil Afrika laten zien zoals het is’. Het zijn wat uitspraken van de Ethiopische director of photography Abraham Haile Biru. De cameraman van Abouna en Daratt speelt meer met belichting dan met zijn camera. Tijdens het International Filmfestival Rotterdam 2008 heeft hij tussen alle conferenties en prijzen (voor zijn filmschool) ook nog tijd voor een interview. En geeft een frisse kijk op zijn beroep.
‘Ik vind het heel mooi om bij donkere mensen hun gouden kleur te benadrukken.’ Aan het woord is Abraham Haile Biru, d.o.p. van onder meer Abouna en Daratt, allebei films van regisseur Mahamat-Saleh Haroun uit Tsjaad. Beide films vertellen over vaders. Afwezige vaders. In Abouna (2002) verdwijnt die zomaar en laat twee zoontjes achter met een moeder die niet weet hoe ze moet opvoeden en ze naar een Koranschool stuurt. In Daratt (2006) is de vader tijdens de burgeroorlog vermoord en gaat tienerzoon Atim op zoek naar de dader. Wraak is alles. Waar Abouna soms nog lucht heeft, is Harouns tweede film zwaarder aangezet. Haile Biru, zelf afkomstig uit Ethiopië, vertelt eerst wat over The Father, een korte film over de Rode Terreur in zijn vaderland die hij in 2001 zelf regisseerde en filmde. Die kwam tot stand doordat het Afrikaanse tv-station Ermiyas G/Amlak makers uit drie Afrikaanse landen, waaronder Ethiopië, uitkoos om via een workshop eigen producties te maken. Meestal zendt het station slechts Amerikaanse producties uit. ‘Ik was gekozen als cameraman voor die film. Maar de regisseur en producent waren vrij onervaren en na twee draaidagen sloeg de regisseur dicht – hij kon niets meer. Hij draaide voor het eerst op 35mm, hij was alleen video gewend. Toen heb ik zelf moeten bedenken hoe ik het verhaal ging verfilmen. Daar had ik eerder natuurlijk niet bij stilgestaan.’

Abraham Haile Biru Haile Biru woonde vanaf zijn zestiende in Nederland, zeventien jaar lang. Hij ging er studeren aan de filmacademie om de vaardigheden te leren waarmee hij hoopte ooit terug te kunnen gaan naar zijn vaderland. Om er films te maken over zijn zo geliefde continent. Inmiddels is hij er een filmschool gestart waar hij zijn kennis en ervaring overdraagt op jongeren die hetzelfde willen. ‘Ik heb zelf bij wijze van spreken nog maar tien films in mijn hele leven gezien. Alleen maar Hollywood en Bollywood. Toen ik in Nederland andere films ging zien, dacht ik “hoe kan ik films maken die anders zijn dan de Europese en Amerikaanse?” Ik heb dus een heel eigen systeem bedacht. Ik heb geen dure spullen nodig. Als je het licht zacht wilt maken dan zou je hier in het westen allerlei schermen en filters gebruiken om dat te doen. Ik plak iets voor een raam waardoor het licht naar binnen valt. Het effect is hetzelfde. Dat vinden andere d.o.p.’s misschien slordig, maar ik kan met deze manier van werken wel doen wat ik wil. Bij alles wat ik doe, vraag ik me af wat het toevoegt. Of het nu de keuze is voor een close up of een medium shot, of het nu om een camerabeweging gaat of een stilstaand plaatje. Als ik van A naar B wil, moet ik toch weten waarom en hoe, anders verdwaal ik. Met de regisseur praat ik over wat er moet gebeuren. Ik denk nooit ‘ik ga iets moois maken’, maar ik wil wel graag iets moois aan het verhaal toevoegen. Als ik alleen maar aan mezelf denk, treedt de camera teveel op de voorgrond en dat is niet de bedoeling. Ik zou ook nooit heel ingewikkelde dingen doen om te laten zien wat ik technisch allemaal kan. Zo heb ik nooit gewerkt, en ik denk ook dat niemand daarop zit te wachten. Kortom, filmen is geen experiment.’ ‘Ik ben bang om beïnvloed te worden. Ik heb geen favoriete regisseurs, films of d.o.p.’s. Het is ook geen eerlijke vergelijking, vind ik. Alles is al eens gedaan, maar als ik van mijn eigen werk het gevoel heb dat ik het zelf uitgevonden heb, vind ik dat fijn. Ik wil niet het gevoel hebben dat ik iets of iemand nadoe. Als ik bijvoorbeeld met een film naar het filmfestival in Rotterdam kom, word ik ineens met al die andere makers geconfronteerd en dat is raar voor mij.’ ‘Soms wordt me geadviseerd om op mijn gevoel te werken, maar daar geloof ik niet in. Ik wil van tevoren precies weten wat ik ga doen. Ik weet wat we met de mise en scène gaan doen, hoe en of ik ga bewegen, ik meet dingen op, ik heb een storyboard. Met Haroun maakte ik die niet voor elke scène maar wel schetsten we altijd wat. Niks gevoel, het is techniek. Ik snap niet dat andere d.o.p.’s zeggen dat ze zomaar maar wat gaan draaien. Natuurlijk heb ik soms iets voorbereid dat dan ineens toch anders moet. Dat kan wel, ik moet er dan alleen even snel weer opnieuw over nadenken. Het is dus soms een voordeel dat ik bijna alles alleen doe (lacht). Ik heb geen gaffer (verantwoordelijk voor het licht), laat staan een best boy (assistent van de gaffer).’ ‘Weet je dat ik ook heel snel werk? De Fransen (er werken veel Franse d.o.p.’s in Afrika) snappen dat niet. Zij denken dat als je maar lang over een scène nadenkt, het vanzelf kunst wordt. Ik kom op een set, bedenk iets, Haroun zegt oké, we proberen het en het is oké.’ Lacht nog harder: ‘Vaak heb ik wel een Franse assistent, maar die houdt ons niet bij!’ Haile Biru vertelt ineens dat hij nooit meer in Tsjaad wil werken. Bij Daratt was het gevaar te groot. Tijdens het draaien ontstond er een opstand. De crew zat in the middle of nowhere, vlakbij waren beschietingen, ze moesten zich dagenlang schuilhouden. Geen film is dat waard, vindt de Ethiopiër. Hij is gebleven, uit trouw aan Haroun. Maar achteraf vond hij het waanzin. Het is maar film, zegt hij. ‘Ik wil er nog veel maken, veel over Afrika laten zien. Ik moet dus wel blijven leven.’ Gerlinda Heywegen "Abraham Haile Biru: Simpel en traag" is een bewerkt fragment uit het boek "The Other Director" van Gerlinda Heywegen. Informatie over het boek hier |