Leden Stills
| Anton van Munster: L'Enfant Sauvage (3) |
| Written by Bart van Broekhoven |
|
Voorpublicatie van interview met de onlangs overleden Director of Photography Anton van Munster, NSC:
"... ik heb mijn opleiding gehad in Rome, aan het 'Centro Sperimentale di Cinematografia' en de eerste les cameratechniek die ik daar kreeg, ging over statieven. En die leraar, de eerste zin toen hij begon te praten: 'Het beste statief is een rotsblok en alles wat daarna komt is minder.”
![]() Anton van Munster, NSC (midden, achter de camera) omringd door zijn crew tijdens het maken van een dolly-shot voor Bert Haanstra's "Dokter Pulder zaait papavers"
Kadrering “En, dus als je begint met opnamen, zeker in de tijd dat cameraʼs in sommige gevallen niet draagbaar waren, niet hanteerbaar waren, had je dus gewoon een statief nodig. Dus ik ben dus toch ook wel opgegroeid met de techniek van als je een shot gaat maken op film, dan staat die camera op een statief. Dat hoeft dus helemaal niet altijd natuurlijk maar om even het voorbeeld te geven. Dat staat op het statief. Dan als je dan dat statief waterpas zet dan wordt dus het beeld wat je opneemt, dat wordt waterpas. En als je dan die camera ook nog in de lengterichting waterpas doet, dan zit de horizon op het midden. Dus ik, laten we zeggen, als ik begin, begin ik met het besef vanwaar ik de horizon wil hebben in het kader. Dat is aangeboren, daar denk ik nu niet meer bij na, maar toen dus wel. In het vergroten met de stilfotografieheb ik dat geoefend. Kadreringen, vergroten, horizon laag, hoog, in hetmidden. Iets helemaal opnemen exact in het midden en zonder schuinperspectief. Allemaal dat soort dingen. Daar ben ik dus echt mee bezig geweest. En dat groeit dan op een gegeven moment in een soort vaardigheid. En waarschijnlijk leidt dat tot een bepaalde stijl van kijken. Dat is helemaalmogelijk. Dat moeten andere mensen maar bepalen of ze zien, of ze in mijn opnamen anders bekijken dan opnamen van andere mensen. Maar kadreren is voor mij altijd héél erg belangrijk en interessant geweest.
![]() Ton Lensink in "Dokter Pulder zaait papavers"
Het kader is voor mij, is één van de redenen geweest waarom ik ook met een man als Bert Haanstra altijd goed uit de voeten heb gekund. Dat sprak hem ook aan. Wij maakten zeg maar dezelfde kaders. En dat is eigenlijk één van de belangrijkste, vind ik, één van de belangrijkste dingen om op te letten als je een verhaal in beelden gaat vertellen. En dat je dan ook nog eens een keer zorgt dat die beelden afwisselend zijn. Dat ze accenten krijgen doordat het dichterbij is of verderaf, closer, totaal, halve figuren. Of je iets van boven bekijkt of van beneden bekijkt. Dat is de filmtaal. En die heb ik dus beoefend op een bepaalde manier, op mijn eigen manier en door samenwerken met mensen. George Sluizer was heel precies in kaders. Daar werd eindeloos over gezeverd. De camera een beetje naar links, ietsje omhoog. Dat was echt, daar werden beelden gecomponeerd zeg maar. “
![]() Kees Brusse in "Dokter Pulder zaait papavers"
Waterpas “De Arri 35IIC is geen schoudercamera maar je kunt er geweldige opnamen uit de hand mee maken. En als je kijkt naar een film als de “Stem van het water” en “Alleman” en nou al dat sort films, hoeveel shots daar uit de hand genomen werden. Dat is echt gigantisch. Je bent lekker snel. Maar dan heb je toch hetzelfde principe. Die camera staat zo, je hebt vaak dat je met televisiecamera's, videocamera's, dat zie ik het ook wel bij andere mensen: die schoudersteun die wil die camera een beetje uit zijn waterpas drukken. Dan zie je vaak dat je er moeite voor moet doen om zo'n beeld waterpas te houden en als je er niet op let dan is het toch hinderlijk. Dan heeft het iets wat niet lekker zit zo. Om in te kijken. Dus ja dat is dan omdat ik het misschien zie hè?"
Beeldtaal "Een beeldtaal is eigenlijk heel beperkt. Een compositie is goed of niet. En je kunt een stijl hebben, je kunt van heel precies en nauwkeurig van een zekere stijfheid, kan dat gaan tot een lossere compositie. Maar het is altijd een compositie. Er is altijd een kader. Er zijn eigenlijk weinig varianten. Als je praat over een close-up dan is een close-up een close-up en niet een hele figuur.” ![]() Franse agent in "Vroeger kon je lachen", een film over Simon Carmiggelt
Oom Agent, Bert Haanstra, Simon Carmiggelt “Dan kan je zeggen, ik stond toch heel dichtbij. Ja maar het is geen close-up. Dus daar is een taal. En die beeldtaal is qua kader redelijk beperkt. Met de keuze van je objectieven kun je een stijl hanteren. Je kunt zeggen ʻik neem alles met een 800mmʼ. Dan krijg je een apart deel. Het kader, de kadrering is misschien bijna gelijk met iets wat je met een wijdhoek opneemt, maar dan is de stijl anders. Het perspectief wordt dan anders. Daar kun je dan dingen mee uiten. Maar het is puur, het is vrij beperkt. In speelfilm is dat zeker en bij documentaire is het inhoudelijk, dus beelden die iets te vertellen hebben of die een extra toevoeging geven aan een verhaal, wat een cameraman dan toevallig ziet omdat hij alleen op pad is, of weet ik wat, omdat hij het gewoon pakt, grijpt… terwijl de regisseur staat te praten met iemand.Dat gebeurt ook heel veel. Dat moge duidelijk zijn. Ik weet van een documentaire, een portret over Simon Carmiggelt waren we aan het maken. We waren in Parijs, in een park. En dat was echt heel precies. Bert (Haanstra, BvB) was erbij, ja heel precies. Een shotje hier en een shotje zo en Simon kwam aanlopen. Simon zit op een bank en Simon gaat het hotel in, etcetera etcetera. En we zijn daar in het, ik weet niet meer precies welk park in Parijs en daar komt oom agent aan. Wat wij daar dan aan het filmen zijn. Ja een heel verhaal, iets met vergunningen. Wij dachten met zʼn drieën het park in met een cameraatje. Maar nee hoor. Allemaal agenten en heel serieus. Bert ging met die agent mee naar een kantoortje. Er waren moeilijkheden en we moesten dus ophouden. En ik bleef dus met Simon Carmiggelt achter. Ik zeg Simon, dan moeten we nu heel snel zijn he, haha." Hele interview staat hier Copyright NSC Website 2009 |











